April 1999
April 1999
Tijdens één van de laatste trips met Dai naar de refuge in Medina vielen we op de terugkeer met 50 honden aan boord in panne op de ring van Parijs. Eén van de reizigers was Hope een teefje dat in Madrid gevonden was met 6 pups en 2 afgeschoten poten die de galguero haar cadeau gedaan had. Omdat ze in de boxen moeilijk haar evenwicht kon bewaren had ze de ganse reis op mijn schoot gezeten. Voor geen van beiden evident en vooral fysisch en psychisch vermoeiend want het had de ganse weg water gegoten en mijn chauffeur was over zijn toeren, oververmoeid en zéér prikkelbaar. Het was zo erg dat ik er niet durfde aan denken dat we eerst nog naar Nederland moesten. Het enige dat me rechthield was de gedachte dat het ‘s anderendaags allemaal voorbij zou zijn. Fout gedacht zou blijken want net voor we Parijs binnenreden begaf de “pont” van de camionette het. Door het feit dat haar ijzeren ruggegraat plots op de baan stuiterde spatte het vuur van onder ons voertuig. Ik kreeg bijna een appelflauwte en mijn chauffeur… die ging door het lint!
Hij stopte op de ring van Parijs op een dodelijk gevaarlijke plaats, ging aan de kant staan en kroop in de gietende regen luid vloekend onder de camionette. Een paar honderd meter verder stond nog een pechvogel met zijn knipperlichten aan. De man had alles gezien en kwam ons vertellen dat hij de wegenwacht gebeld had en bood zijn hulp aan. Toen David “Dai” de behulpzame man wegjoeg met de woorden dat hij niemand nodig had en deze op een meter van het voorbijrazende verkeer door de nog steeds neerplensende regen terug naar zijn auto liep was ik razend en schold hem de huid vol. De man heeft voor ons twee keer zijn leven geriskeerd en hij wordt als een hond weggejaagd riep ik kwaad, ben je niet beschaamd. Toen de depanneuse de man zijn wagen kwam opladen en wegreed huilde ik van ellende en dacht aan de vijftig honden in de camionette. Hoe stom, eigenwijs en onverantwoord kon een mens, of liever een man, zijn om zijn ego belangrijker te vinden dan zijn levende vracht. Nadat hij een uur onder de camionette gelegen had om tegen beter weten in het euvel te proberen verhelpen klom hij doorweekt en niet aanspreekbaar aan boord en draaide de contactsleutel om. Ik durfde niks zeggen en hield mijn hart vast. Terecht want nog geen 500 meter verder spatte het vuur terug van onder de camionette en verloor mijn chauffeur voor de tweede keer zijn zelfbeheersing.
Toen ik hem maar met moeite tot bedaren kon brengen en kwaad riep dat hij met ons leven speelde liet hij zich tegen zijn zin uitbollen en belandden we op de parking van aire De Pompadour. Het was middernacht, regende pijpestelen en ik wist niet waar gekropen van ellende en miserie maar zelfbeklag was geen optie, ik moest hoe dan ook een oplossing zoeken en vooral vinden. Nadat ik alle betrokkenen op de hoogte gebracht had begon ik rond te bellen naar mijn verzekeringen. Tevergeefs want niemand kon of wou ons op de ring van Parijs depanneren met de honden aan boord. Uiteindelijk belde de pompbediende, die niet van achter zijn gepantserd glas mocht komen, de wegenwacht. Dai sprak al lang niet meer tegen en verschanste zich mokkend in de cabine. Een uur later draaide de man van de wegenwacht de parking van aire de Pompadour op en vertelde ik hem aangedaan wat gebeurd was. Ik had geluk, het was een dierenvriend en had zoveel medelijden dat hij bij mij bleef tot zijn dienst er om 5 uur op zat. Ik zal hem mijn ganse leven dankbaar blijven om me die nacht op de obscure aire de Pompadour, die de ganse nacht een rendez-vous plaats van louche bezoekers bleek te zijn, bij te staan want op mijn chauffeur moest ik niet rekenen. Voor hij vertrok belde hij een depanneur die zich bereid verklaarde ons voor cash geld te depanneren tot in een goederenstation.
Toen hij wegreed werd het dag. Het had ondertussen opgehouden met regenen en in de verte kon ik de Eifeltoren zien. Terwijl ik met bonzend hart afwachtte wat er zou gebeuren zong Jacques Dutronc in mijn hoofd “Paris s’eveille” ik neuriede automatisch mee en probeerde de onwaarschijnlijkheid van het moment te omvatten. Stond ik daar echt? Stond ik echt op een parking in Parijs in panne met een oude camionette die geladen was met 50 honden die een chauffeur aan boord had die zich gedroeg als een verwend kind. Het drukker wordend verkeer trok zich niks aan van mijn zorgen en raasde onverschillig voorbij. Als de man van het servicestation die de voorbije uren alles van op de eerste rij gevolgd had om 6 uur vervangen werd door een collega en me voor zijn vertrek bonne chance wenste kwamen de tranen in mijn ogen en voelde ik me net Remi in alleen op de wereld, alleen had ik geen 50 capi's, jolis coeurs, dolce's en zerbino's bij aan boord. Het was 10 uur als 2 Noord-Afrikanen de parking opreden met een depanneuse die haar beste tijd gehad had. Het kon mij niks schelen de enigen waar ik aan dacht waren de honden die al veel te lang in de camionette zaten. Terwijl ik alles regelde bleef mijn chauffeur koppig in de cabine zitten. Toen ze de camionette op de depanneuse trokken moest hij wel uitstappen…Na een hectische rondrit door de bidonvilles van Parijs kwamen we een uur later aan bij een oud rangeerstation dat zo te zien ook dienstdeed als autokerkhof want er lagen bergen autowrakken.
De chauffeurs van de depanneuse waren blijkbaar bekenden want van zodra we de oprit opdraaiden maakten een paar Noord-Afrikanen de hekkens open en reden we het terrein op. Ondanks het feit dat ik me maar weinig op mijn gemak voelde ging ik met een van de chauffeurs mee naar een man in een klein bureautje die blijkbaar de baas was. Toen hij het piepend deurtje opende en de donkere man achter het gammele schrijftafeltje vol paparassen zijn gele tanden bloot lachte had ik het gevoel dat ik in een film noir zat en ondanks het feit dat ik 3 maal 18 was ergens in een bar zou eindigen als blanke slavin...Maar een mens kan zich vergissen, ten eerste was ik te oud om nog als seksslavin in aanmerking te komen en ten tweede het uiterlijk kan bedriegen want de donkere man met de gele tanden was heel luisterbereid en vriendelijk. Ik mocht de honden uitlaten op een afgesloten terrein en de mannen zouden ze helpen uitladen. Ik mocht gerust zijn ze konden niet weg. Ondertussen zou hij een vriend bellen die camionettes van Herz verhuurde want het was duidelijk dat ons voertuig de pijp aan Maarten gegeven had. De camionette mocht op zijn terrein blijven staan tot wanneer we hem konden ophalen zei de man. Terwijl de bruine en zwarte werknemers de honden hielpen uitladen deed David of het hem niet aanbelangde en bleef stug dwarsliggen. Ik zonk in de grond van schaamte en kon hem wel vermoorden.
Toen de verhuis camionette van Herz na een uur aankwam stelde ik hem voor de keus, inbinden en helpen of ik zou een andere chauffeur laten opkomen. Hij koos het eerste maar kon niet laten om de chauffeurs die bereid waren ons te escorteren tot aan de oprit van de autoweg toe te schreeuwen dat niemand hem de weg moest tonen. Voor ik vertrok ging ik aan de baas met de gele tanden vragen wat mijn “schuld” was, toen hij voor de laatste keer zijn verweerd gebit bloot lachte zij hij “mais rien madame, c‘etait un honneur”. Na al de ellende en de stress was ik zo aangedaan dat mijn ogen zich met tranen vulden. Toen hij zag hoe ontroerd ik was door zijn geste kwam hij van achter zijn bureau en legde vaderlijk zijn arm rond mijn schouders. Terwijl hij me tegen zijn niet al te welriekende gilet drukte zei hij in zijn Noord-Afrikaans Frans dat hij voor mij en de honden zou bidden want dat ik een goed mens was. Naar Dai wijzend voegde hij er vertrouwelijk aan toe dat ik mij geen zorgen moest maken want dat ze me, of het nu al dan niet tegen zijn zin was, zouden begeleiden tot aan de autoweg. Bij al die goedheid verloor ik eventjes mijn zelfbeheersing en begon onstuitbaar te wenen. Terwijl de tranen overvloedig over mijn wangen vloeiden gaf hij mij geruststellende schouderklopjes en mompelde een paar onverstaanbare zalvende woorden die mij op de één of andere manier rustig maakten. Voor ik naar buiten ging gaf ik hem dankbaar een zoen. Er waren nog goede mensen en ik had het geluk gehad er een paar te ontmoeten. Terwijl ik in de camionette klom raapte ik al mijn courage samen. Ik had geluk gehad in mijn ongeluk en meer chance dan verstand, dat besefte ik maar al te goed.
De bruine mannen begeleidden ons tot aan de autoweg en wuifden ons met claxongetoeter uit. Het zou de laatste keer zijn dat ik ze zag maar iedere keer als ik voorbij de verkeerspijl richting Bobigny rijdt denk ik aan hen. Hoe we daarna zonder ongelukken in Roermond sukkelden is me nog altijd een raadsel. Mijn chauffeur viel constant in slaap en in Roermond moesten we voor de aanwezige media alle honden uitladen alhoewel er maar 10 voor de nieuwe organisatie waren. Door het ganse gedoe verloren we uren want nadat alle honden uitgelaten waren hadden deze die voor België bestemd waren geen goesting meer om terug aan boord te gaan. Hulp hadden we niet want de verantwoordelijken waren met de tv-ploeg naar binnen gegaan voor een interview. We vertrokken in alle stilte voor een onverantwoorde gevaarlijke rit, tijdens dewelke mijn chauffeur om de tien minuten in slaap viel en tegen de boorstenen reed. Ik was opgelucht en op van de stress toen we rond 18 uur doodop aankwamen in België en doorreden naar Vlaams-Brabant waar de adoptanten ons opwachtten op het domein van de mevrouw die Marchanta geadopteerd had. De stop in Nederland had het laatste van mijn krachten gevergd en toen ik uitstapte wankelde ik op mijn benen. Toen het allemaal achter de rug was en iedereen zijn hond had kon ik eindelijk naar huis. Om middernacht lag ik in mijn bed te daveren van moeite maar wat telde was dat ik het tot een goed einde gebracht had. Dat ik 24 uur geleden dacht om er mee te stoppen was ik al vergeten. Het enige wat mij bekommerde was wie mijn volgende chauffeur zou worden…Dixit 25 april.
Mireille